Mijn vistrap
Op basis van mijn waarnemingen ter plekke had ik alvast een concept vistrap uitgewerkt en ook uitgeprint om te zien of dit voor mijn model een haalbaar iets is. Ik moet zeggen dat ik zeker niet ontevreden ben over het resultaat, zie ook onderstaande foto. Op de foto is al duidelijk zichtbaar hoe groot dit onderdeel is ten opzichte van rest van de stuwdam.

Gaande weg ben ik gekomen tot een gedetaileerd ontwerp, ik heb er veel lectuur op nageslagen en ben nu helemaal tevreden met mijn nieuwe ontwerp en heb dat vastgelegd in een tabel die je verderop in deze pagina kunt bekijken en/of downloaden. Tevens heb ik een ontwerpverificatie uitgevoerd die voor de echte techneuten misschien wel leuk is om te bekijken. Goed genoeg gezegd daarover, onderstaand vind je een samenvatting van mijn ontwerp.
Introductie
De vistrap tussen de stuwdam en de waterkrachtcentrale overbrugt een hoogteverschil van bijna 8 meter. Het bovenstroomse waterpeil (P1) ligt op 54,00 m NAP, terwijl het benedenstroomse peil (P2) op 46,06 m NAP staat. Om dit verval passeerbaar te maken voor migrerende vissoorten is een steile bekkenvistrap toegepast, opgebouwd uit 38 bekkens die het verval trapsgewijs verdelen.
Opbouw van de vistrap
De vistrap bestaat uit een reeks bekkens met een lichte sprong tussen elk bekken.
Belangrijke ontwerpgegevens:
- Aantal bekkens: 38
- Totale lengte: 49,40 m
- Diepte eerste bekken: 1,37 m
- Diepte overige bekkens: 1,14 m
- Peil eerste drempel (P4): 53,50 m NAP
- Peil laatste drempel (P5): 44,62 m NAP
- Hoogte trede (h5): 0,24 m
Door deze geometrie ontstaat een gecontroleerde reeks trede’s die vissen stap voor stap kunnen overwinnen. Op onderstaand screen shot van mijn model zijn deze trede’s goed zichtbaar.

De vier stromingen
Lokstroom — uitnodiging voor vissen
- Debiet: Q2 = 0,20 m³/s
- Snelheid: V2 = 0,70 m/s
- Poorthoogte: h6 = 0,71 m
De lokstroom trekt vissen vanuit het benedenstroomse peil (P2) naar de ingang van de vistrap bij P5.
Drempelstroom / lekstroom — geleiding tussen bekkens
- Debiet: Q3 = 0,15 m³/s
- Snelheid: V3 = 0,60 m/s
- Poorthoogte: h7 = 0,63 m
Rustige basisstroming die de natuurlijke zwemroute vormt tussen de bekkens.
Uitrede‑stroom (laatste poort)
- Debiet: Q4 = 0,10 m³/s
- Snelheid: V4 = 0,50 m/s
- Poorthoogte: h8 = 0,50 m
Hier verlaat het water de vistrap richting P2.
Vissen komen hier juist binnen, omdat ze tegen de stroom in zwemmen.
Intrede‑stroom (eerste poort)
- Debiet: Q1 = 0,30 m³/s
- Snelheid: V1 = 1,20 m/s
- Poorthoogte: h3 = 0,15 m
Bij P4 komt water binnen vanuit P1.
Voor vissen is dit de uitgang van de vistrap.
Water vs. vis
Waterstroming (hoog → laag)
P1 → P4 → P5 → P2
Vismigratie (laag → hoog)
P2 → P5 → P4 → P1
Uitleg:
De vistrap werkt omdat water en vis elkaar kruisen.
De debieten Q1 t/m Q4 zijn zo gekozen dat ze deze tegengestelde beweging ondersteunen:
- Q2 trekt vissen naar de ingang
- Q3 geleidt ze door de bekkens
- Q1 helpt bij de laatste sprong naar boven
- Q4 stabiliseert de uitstroom
Wat dit betekent voor de werking
De vistrap verdeelt het hoogteverschil in 38 kleine stappen.
Door een combinatie van lokstroom, drempelstroom en regelstroom ontstaat een natuurlijke zwemroute.
Vissen worden niet gedwongen, maar begeleid — met voldoende rustzones en duidelijke richting.

Downloadsectie
Ontwerpgegevens vistrap 🔽 DownloadNu eenmaal na de ontwerptoetsing de ontwerpcriteria vastlagen kon het ontwerp van start en gebaseerd op bovenstaande ontwerpcriteria ben ik tot onderstaand ontwerp gekomen: